Driving Home for Christmas

Ik weet nog precies wanneer we voor de laatste keer een witte Kerst hadden. Het was dezelfde kerst dat mijn vader tegen me zei dat ik kon vertrekken en nooit meer hoefde terug te komen. Toen ik die dag in mijn vijfdehands Volkswagen Golf de witte oprit afreed, wist ik zeker dat ik nooit meer terug zou keren naar mijn ouderlijk huis. Mijn vader wilde me niet meer zien en dat gevoel was driehonderd procent wederzijds. Nu, jaren later, rij ik in mijn glinsterende, zwarte Tesla over een met sneeuw bedekte A1 vanuit Amsterdam terug naar huis. Een gehucht in Midden-Drenthe. Alsof het lot me dit feit extra onder mijn neus wil wrijven, hoor ik de eerste tonen van Chris Rea uit de radio komen.

I’m driving home for Christmas. I can’t wait to see those faces.

Ik heb wel eens gehoord dat dit nummer het ultieme kerstgevoel aanwakkert bij mensen. Geen idee wat dat precies betekent. Ik heb het idee dat het ultieme kerstgevoel vooral een hoop gebakken lucht is. Het is in ieder geval niet Chris Rea. Het nummer zorgt er juist voor dat de knoop in mijn maag alleen maar strakker wordt aangetrokken. Gelukkig beland ik in een enorme sneeuwbui, waardoor ik nog maar veertig kilometer per uur op de snelweg rij. Hoe langer ik over de reis doe, hoe langer het duurt voordat ik oog in oog sta met mijn vader. Ik ben niet zo van sneeuw, maar op dit moment komt het als geroepen. Ik heb zelfs nog getwijfeld om de boel af te zeggen. Een landelijke code oranje vanwege hevige sneeuwval is toch een goed excuus om niet de weg op te gaan. Normaal gesproken was ik absoluut afgehaakt, maar deze keer is het anders. Deze keer wordt het de laatste keer dat we kerst kunnen vieren met zijn allen. Volgend jaar is mijn vader er niet meer, dat is een feit. Dit wordt zijn laatste kerst en dus mijn laatste kans om hem ooit nog te zien. Geen contact hebben met je vader krijgt toch een andere betekenis als je weet dat hij er binnenkort niet meer is. Tot nu was er altijd nog de mogelijkheid… als hij dood is, is die mogelijkheid voor altijd verdwenen.

I’m driving home for Christmas. With a thousand memories.

Mijn mooiste herinnering aan Kerst is dat ik altijd mee mocht met het uitzoeken van de kerstboom. Dat deed ik altijd met mijn vader. Het was ook zo ongeveer het enige ding dat ik met hem deed. Daarom was het ook altijd een van mijn meest favoriete momenten van het jaar. Het was het moment dat ik mijn vader helemaal voor mezelf had. De kerstboom was bij ons thuis belangrijk en had altijd een prominente plek in de woonkamer. Waarschijnlijk heb ik daarom nooit meer een kerstboom staan. Het geeft te veel herinneringen. Sommige herinneringen openen luikjes die je graag gesloten wilt houden. Mijn vader is zo’n luikje. Als ik goed ga bedenken waarom we al zo lang geen contact hebben, dan weet ik dat eigenlijk niet eens. Ongetwijfeld een kwestie van koppigheid. Als hij niets van zich laat horen, dan doe ik het ook niet. Hij heeft me nota bene wel uitgemaakt voor rotte vis en ik hem voor iets vergelijkbaars. Ik heb wel eens op het punt gestaan om te bellen of een brief te sturen, maar zo gemakkelijk is dat niet. Ondertussen verstrijkt de tijd en hoe langer het duurt, hoe lastiger het wordt. Totdat je het punt bereikt waarop je zeker weet: het heeft toch geen zin meer. Dat punt is lang geleden bereikt.

Driving home for Christmas.

Ik rij al tweeëneenhalf uur. In de verte zie ik het bord van de afrit opdoemen. Ik ben er nu echt bijna. De sneeuwstorm is ondertussen gaan liggen. Inwendig wakkert de storm juist aan. De zenuwen beginnen steeds meer door mijn lijf te gieren. Vooral omdat ik zeker weet dat ik straks naar binnen loop en mijn vader me gelijk de deur weer wijst. Er ontstaat een brok in mijn keel bij alleen de gedachte al. Als afleiding neem ik de omgeving uitgebreid in me op. Bizar dat ik hier zo lang niet heb gereden, maar dat alles er nog precies hetzelfde uitziet. Dezelfde huizen, dezelfde bomen. Het is alsof de tijd hier heeft stilgestaan. Ik moet nog een keer rechts en twee keer links, dan ben ik er. Een minuut later rij ik de witte oprit op. Voordat ik goed en wel heb geparkeerd, komt mijn moeder al naar buiten. Ze omhelst me stevig. ‘Lieverd, ik ben zo blij dat je er bent.’

Ik hou haar wat langer vast dan nodig, ook al heb ik haar vorige maand nog gezien. Altijd als ik mijn moeder zie, dan is dat in Amsterdam. Nu voor het eerst in jaren zie ik haar weer bij deze enorme woonboerderij waar ik ben opgegroeid. Langzaam volg ik haar naar binnen en loop de hal in. Het ziet er nog precies hetzelfde uit, het ruikt nog precies hetzelfde en een vertrouwd gevoel overspoeld me. Ik ben weer thuis. Vanuit het niets word ik overvallen door emoties. Nu ik hier weer sta, realiseer ik me hoe erg ik het heb gemist. Ook realiseer ik me hoe ongelofelijk dom en kinderachtig ik ben geweest. Ik had al veel eerder naar huis moeten komen. Ik heb zo lang ontkent dat het me iets deed, dat het nu des te harder binnenkomt.

‘Kom lieverd.’ Mijn moeder knikt bemoedigend naar de woonkamer waar ongetwijfeld mijn vader zit.

Spanning maakt plaats voor angst. Stel je voor dat hij echt zegt dat ik weer kan vertrekken? Toch volg ik mijn moeder naar de woonkamer.

Daar zit hij. In dezelfde stoel als toen. Zijn stoel. Natuurlijk weet ik dat hij ziek is, maar zo ziet hij er ook uit. Hij oogt vermoeid en bleek. Bovendien is van zijn bolle bourgondische buik niets meer over. Hij kijkt op. Als hij mij ziet, verandert zijn hele blik. Maar niet in de kille koele blik die ik had verwacht. Secondenlang blijven we elkaar aanstaren en dan maakt mijn vader aanstalten om op te staan. Het gaat moeizaam en voor ik het weet sta ik naast hem en geef hem een arm. Hij trekt zich aan me op en dan staan we op dezelfde ooghoogte. Met twee handen pakt hij mijn schouders beet. ‘Oh jongen toch.’ Verder dan dat komt hij niet. Zijn onderlip begint te trillen en zijn ogen vullen zich met tranen. Hij omhelst me stevig. Daarna pakt hij mijn gezicht vast in zijn handen. ‘Luister goed.’ Hij pint zijn waterige blik vast in die van mij. ‘Wordt nooit zo koppig als je ouweheer.’

Ik laat een snik ontsnappen en ik weet eigenlijk niet of het nou lachen of huilen is. ‘Dat ben ik al pa,’ antwoord ik. ‘Koppig en stronteigenwijs.’

Er ontstaat een lach om de mond van mijn vader. Hij legt zijn handen weer op mijn schouders. ‘Er is een hoop te zeggen. Gelukkig hebben we daar nog een klein beetje tijd voor.’

De brok die ik de hele tijd in mijn keel heb gevoeld, klimt razendsnel omhoog richting mijn ogen die zich spontaan vullen met tranen. ‘Pa…’ Voordat ik verder iets kan zeggen omhelst hij me weer. We houden elkaar stevig vast. Ik snap in een keer wat al die mensen altijd bedoelen met het ultieme kerstgevoel. Dit moment zal voor de rest van mijn leven het ultieme kerstgevoel zijn.


Ontdek meer van Emma van Zweden

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑